The one that got away…

Fraude Faillissement

Veel curatoren hebben een ‘guilty pleasure‘. Wij procederen bij de rechtbank in eigen naam en dus hopen we stiekem tot onze hoogste rechter, de Hoge Raad, door te procederen, liefst eindigend in een klinkende overwinning tegen een bank of andere grote partij. Een echte David en Goliath situatie waarbij je je bij de collega’s onsterfelijk maakt. Iedere student moet vervolgens ook ‘jouw’ arrest leren. Klassiekers als De Ranitz/ Ontvanger of Huijzer/ Rabobank.

Het tegenovergestelde kan echter ook. De curator krijgt in een procedure 100 % het lid op de neus. Toen ik vorige maand ons vakblad, het Advocatenblad, opende en een bloemlezing van de belangrijkste uitspraken van het afgelopen jaar op het gebied van faillissementsrecht doorlas, kwam ik zo’n uitspraak tegen, van mijzelf… Weliswaar zonder naamsvermelding van curator op hakken, maar toch was het een kleine aanslag op de ego.

Ik had geprobeerd een bestuurder te laten gijzelen. En ik stond niet alleen. De rechter-commissaris stond volledig achter het verzoek, want we waren ervan overtuigd dat de bestuurder niet de volledige waarheid vertelde en geld had weggesluisd uit het faillissement. Toch vond de rechtbank dat het feit dat de bestuurder vragen beantwoordde en daarbij wat informatie gaf al voldoende was om aan zijn informatieplicht te voldoen. Dat die informatie niet volledig of juist was, was van minder belang. Ik was zo eigenwijs om in hoger beroep te gaan. En weer ging ik op mijn plaat, zucht…

Het gerechtshof vond dat ik als curator ook op andere wijze informatie kon vergaren en dus niet alleen de zielige bestuurder op zijn huid hoefde te zitten. Anderhalf jaar inzet om achter de waarheid te komen werd in een pennenstreek afgedaan. Ik was bovendien de blunderende curator die haar huiswerk niet gedaan had.

En dat is soms het lot van een curator. Af en toe kom je een faillissement tegen die je niet loslaat, maar die je niet tot het eind kunt brengen dat je weet dat er in zou kunnen zitten.

Het faillissement van dit schrootbedrijf werd uitgesproken op verzoek van de bestuurder en enig aandeelhouder. Op de dag van de uitspraak was er al iets vreemds aan de hand, want de beste man was in geen velden of wegen te bereiken. De meeste bestuurders die zelf het faillissement aanvragen hangen ongeveer aan de telefoon totdat de curator wordt benoemd. We gingen na geen gehoor langs bij de bedrijfslocatie en stonden voor een gesloten hek. Op het terrein stonden duidelijk waardevolle kranen, maar niemand te bekennen. Laat op de middag belde de bestuurder, vlak voordat de slotenmaker gebeld ging worden om het hek open te breken. Bij dat eerste telefoontje gingen mijn nekharen al overeind. Hier klopte iets niet.

De eerste vier weken waren een grote chaos. Twee weken voor de faillissementsaanvraag was het meeste personeel naar huis gestuurd, maar achteraf bleek dat er was doorgereden door bepaalde werknemers. Enkele dagen na het faillissement is op het terrein ingebroken en zijn spullen ontvreemd. De deur was achteraf van binnenuit geforceerd. De inbraak is nooit opgehelderd.

De bank, aan wie alle bedrijfsmiddelen verpand waren, liet niets van zich horen, terwijl er verpand materieel van enkele tonnen onbewaakt op het terrein stond, ook na de inbraak. De kersverse verhuurder wilde ontruimen,  de fiscus legde bodembeslag.  Conflicten over de eigendom van zaken en geruchten over vals spel alom. Kortom, het was een grote puinhoop. Leuk!

Toen eenmaal de rust een beetje was terug gekeerd, bleek er een waslijst aan vragen aan de bestuurder open te staan. Deze werden moeizaam en ontwijkend beantwoord, want eerlijk is eerlijk, vriendjes was ik niet met de bestuurder geworden in de voorgaande periode. Toen volgde een verhoor bij de rechter-commissaris en die was er ook van overtuigd dat het niet pluis was. Op bepaalde punten moest de bestuurder toegeven dat er wat mis was. Zo kon ik bewijzen dat de opbrengst van een vracht in eigen zak was gestoken. Dat gaf hij eenmaal met niet te weerspreken feiten geconfronteerd ook toe, maar dat was geen bedrag waar justitie in geïnteresseerd zou zijn en verhaal voor dat bedrag bood hij op papier niet. Ik moest van de rechter-commissaris verder onderzoek doen en dan zouden we kijken hoe de druk opgevoerd kon worden.

Ongeveer zes maanden na het faillissement dacht ik voldoende bewijs in handen te hebben. Op basis van de administratie was ik bij afnemers gegevens gaan opvragen en toen bleken er meerdere discrepanties met de administratie van de failliet in de weken voor faillissement. Daaruit zou volgen dat er veel meer schroot is verreden dan uit de administratie bleek. Het was dus niet gebleven bij die ene vracht, de opbrengst van meer ritten was zoek.

Op basis van deze nieuwe gegevens durfde de rechter-commissaris een voordracht voor gijzeling aan.  Daar oordeelt vervolgens de rechtbank, niet de rechter-commissaris, over. Voldoet de bestuurder niet aan zijn informatieplicht, dan moet hij ‘brommen’ totdat hij de informatie wel geeft.

En toen kwam het standpunt, dat mij uiteindelijk schaakmat zette. De bestuurder ontkende glashard. Fraude was volgens hem in de branche schering en inslag en de afnemer had volgens hem gebruik gemaakt van het faillissement om wat ‘zwarte’ voorraad wit te wassen door het in te wegen op naam van de failliet. Van andere ritten, onder meer op de middag van het faillissement (vandaar niet bereikbaar!) gaf hij aan dat hij deze voor zijn zoon had verreden. Dat anderen per ongeluk de naam van de failliet hadden gebruikt bij de facturatie, daar kon hij niets aan doen. Zijn zoon had enige weken voor faillissement inderdaad een nieuw bedrijf opgericht en een vrachtwagen van de failliet gekocht. Toevallig niet?

Kortom, hij gaf enige informatie. Mijn wellicht te cynische inslag geloofde er geen woord van, maar het gaf de rechter wel een alternatief scenario. Het was mijn woord, ofwel het woord van de afnemer, tegen die van de bestuurder. En de rechter vond dat voldoende om de gijzeling af te wijzen. Volgt mijn hoger beroep bij het gerechtshof. Het hof zou hem toch niet zo makkelijk van de haak laten?

Toch wel. Ik had als curator nader tot de bodem van de zaak kunnen komen door een voorlopig getuigenverhoor te houden en alle betrokkenen als getuige onder ede te horen over de vrachten die niet in de administratie voorkwamen. Dus had ik ook minder vergaande mogelijkheden om informatie te verkrijgen dan de bestuurder te gijzelen.

Niets aan de hand toch? Op naar een getuigenverhoor. Nou, klein probleempje, er was al een tijdje geen geld meer in de boedel. In een ideale wereld kun je alles op alles zetten om de waarheid boven water te krijgen, maar dan moet er ook geld zijn om dit te financieren. Wat een getuigenverhoor opgeleverd had, was ook maar de vraag. De inzet was voor zowel de bestuurder als de afnemer te hoog om van het eerdere standpunt af te wijken. Een van hen zou waarschijnlijk onder ede liegen en ik kon niet bewijzen wie dat zou zijn. Het idealisme van de rechterlijke macht legde het af tegen de financiële realiteit van de situatie. Het getuigenverhoor is er nooit gekomen.

Op een gegeven moment moest ik erkennen dat ik de zaak niet rond ging krijgen. Einde verhaal: ik ben met de bestuurder aan tafel gegaan en heb geschikt voor een schijntje. Pragmatisme is een groot goed in de gereedschapskist van de curator, maar deze deed wel even pijn…

 

© 2016 – 2018, MariaB. All rights reserved.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *