De curator verkoopt…

Faillissementen worden uitgesproken op een dinsdag. In de middag heerst er altijd een lichte spanning in de lucht op kantoor. Het zoemt rond: zou er vandaag één vallen? Meestal tussen twee en drie uur springt er iemand achter zijn bureau op. In de mailbox een benoeming tot curator. Meer dan een naam, adres en -met geluk werkend- telefoonnummer heb je op dat moment niet, maar binnen een paar minuten weet heel kantoor het.  Collega’s komen meteen om de hoek kijken: “Wat is het?”, “Zit er wat in?”

Als “er wat in zit” begint een race tegen de klok. Een onderneming levert het meeste op als het intact kan worden verkocht, maar daar is maar weinig tijd voor. Binnen enkele dagen stromen de problemen binnen. Telefoons worden afgesloten, machines of leaseauto’s worden opgeëist. Je hebt geen geld voor inkoop voor de opdrachten die nog lopen en er zijn wel contractuele verplichtingen. Laat je het zijn beloop, dan is het net een stuk fruit dat per seconde wegrot. Binnen de kortste keren ligt er een hoop rottigheid en is de waarde verdampt.

In de praktijk blijkt dat er geen pijl op te trekken is wat interessant is voor overname als lopend bedrijf, in jargon ‘going concern’. Mijn eerste grote faillissement betrof een bedrijf dat vrachtwagen trailers verhuurde in de Waalhaven. Het kantoor was een doorrookte portacabin en het terrein zat vol met gaten, maar de trailers bleken een specifiek hefsysteem te bezitten, dat geen ander bedrijf in de haven op dat moment had. De concurrent bood ruim boven marktwaarde om de trailers in bezit te krijgen en om de concurrentie uit te schakelen. Voor ons waren het op het eerste gezicht roestige oude trailers op een verlaten terrein. Een ogenschijnlijk degelijk IT bedrijf met kundige mensen bleek echter aan de straatstenen niet kwijt te raken.

Regelmatig is de oude bestuurder de enige overname kandidaat. Daar kun je je twijfels bij hebben, want hij is toch schuldig aan het faillissement? Dat kan wel zo zijn, maar als je uit bent op winstmaximalisatie voor de schuldeisers kun je niet altijd kieskeurig zijn.  Maar hoe ga je te werk en hoe weet je wat je verkoopt op waarde te schatten?

Om achter het laatste te komen, heb ik samen met een collega curator een scriptie geschreven over de waardering van ondernemingen in faillissement voor de verplichte opleiding financiële economie voor curatoren. De naam is overigens al net zo spannend als de cursus. We dachten aan het begin van de opleiding dat de geheimen van bedrijfswaardering onthuld zouden worden. Na een aantal cursusdagen en middagen aan de keukentafel kwamen we er  achter dat alle economische theorieën ten spijt eigenlijk veelal de volgende simpele regel in faillissementen geldt:

Het is wat de gek er voor geeft.

Waarom? De curator heeft per definitie een informatieachterstand en zit in tijdnood. De curator kan eigenlijk alleen maar terugkijken naar het verleden en daaruit een inschatting maken van de waarde van  contracten, omzetten etc. Maar in het verleden is verlies gedraaid. Inventaris en voorraden zijn makkelijker te waarderen, daarvoor kun je taxeren, maar dat maakt meestal slechts een klein onderdeel uit van de deal. Maar een koper die al betrokken is geweest bij de onderneming weet de waarde van de onderneming veel beter in te schatten en projecties te maken voor de toekomst dan de curator.

Als er maar één bieder is, is dat altijd slecht voor de prijs, dus moet de curator zoveel mogelijk de boer op. De markt op gaan is echter ook niet zonder risico’s. Vaak liggen er kapers op de kust die maar wat graag de informatie die zij opdoen bij de curator inzetten om klanten af te vangen. Een geheimhoudingsovereenkomst met boetebeding vangt de meeste speculanten af. Sommige curatoren vragen ook een borgsom voordat zij informatie verschaffen om te peilen of een geïnteresseerde partij serieus is. Ook voor het vinden van kandidaten is de tijd echter beperkt.

En in sommige gevallen wordt de curator uitgerookt. De curator kan in de meeste gevallen maar maximaal vier weken een onderneming voortzetten voordat het personeel afvloeit en dan liggen de klanten als het ware voor het oprapen. Bestuurders met goede adviseurs weten echter dat ze om gezeur te voorkomen beter wel een symbolisch bedrag (fooi) aan de curator kunnen betalen voor overname van het een en ander. De curator moet vaak wel accepteren omdat er geen andere mogelijkheden zijn.

Als er dan twee of meer bieders zijn waarvan de biedingen nog tegenvallen, dan klim je in de telefoon om ze een beetje meer tegen elkaar op te laten bieden. Een beetje bluf en doorzettingsvermogen pakt net dat beetje extra op het eind. En voor die adrenaline kick doen wij curatoren het stiekem ook wel. Zorgen dat de gek er net iets meer voor geeft…

© 2015 – 2018, MariaB. All rights reserved.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *